van Chengdu naar Kashgar

In Chengdu mogen we onze camper op het grote universiteitscomplex parkeren. Relaties van onze gids doen wonderen. We staan echter precies voor het restaurant waar duizenden studenten en hoogleraren dagelijks hun maaltijden nuttigen of afhalen. Allemaal Chinezen die basis Engels beheersen. Je kunt je misschien wel voorstellen dat we af en toe genoeg hadden van alle belangstelling en vragen om selfies met ons te mogen maken.

Als je Chengdu bezoekt, moet je naar het Panda researchinstituut. Deze stad is bij uitstek het centrum van de Panda. We lopen het mooie park binnen waar het al vroeg erg druk is. Het lijkt meer op een soort bedevaartsoord. Duizenden mensen die de Pandaberen willen bewonderen. We zien 4 baby Pandabeertjes in een couveuse. Ze wegen bij de geboorte maar 100 gram en zijn helemaal kaal. Een volwassen Panda weegt 100 kilogram en heeft een dikke vacht tegen de winterse kou op de hoogtes waar ze leven. Daarom is het voor een pandababy in het wild een hele toer om de eerste maanden door te komen. Er leven nog ongeveer 1650 panda’s in China. We verlaten de grote stad en rijden langzaam maar zeker het Tibetaanse plateau op. We merken het aan het landschap, maar ook aan de geloofsuitingen van het Boeddhisme. Het Tibetaanse Boeddhisme is erg kleurrijk. Men heeft overal wel versieringen aangebracht in de vorm van slingers en vlaggetjes. Vooral boven op heuvels. Het gebied begint op Mongolië te lijken. We zien veel Yaks en kleurige tenten van de herdersfamilies. Hoewel onze gids er een beetje omheen draait, was dit deel van China ooit deel van het Mongoolse wereldrijk van Dzjengis Khan. Tibet was toen een aangrenzend en onafhankelijk land en bracht het Boeddhisme via monniken en handelaren naar Mongolië. Ondanks onze opmerkingen daarover blijft onze gids het officiële overheidsstandpunt verkopen. Best lastig, maar hij slaagt erin om ons in ieder geval andere invalshoeken te laten zien. De absolute waarheid bestaat gelukkig niet, alhoewel de communistische partij die wel claimt. We gaan het hooggelegen plateau over via prachtige, maar erg moeilijk berijdbare provinciale wegen. Met name de overbeladen vrachtauto’s komen nauwelijks de bergen op. Via Zoige, Langmusi komen we dan eindelijk in Xiahe terecht. In Langmusi heeft men een groot tempelcomplex gebouwd. Dat ligt precies aan de beide zijden van de provinciegrens tussen Sichuan en Gansu. Kon er ook geen ruzie ontstaan. In Xiahe bezoeken we een Boeddhistisch universiteit waar monniken kunnen studeren in vakken als filosofie, geneeskunde en astrologie. De tempels en gebouwen vormen een stad op zich. Je mag er alleen met een gids naar binnen. Er wonen ongeveer 700 monniken in en rondom het complex. Wel zien we, met uitleg van een monnik, de indrukwekkende beelden en taferelen in de tempels met een iets andere blik. Op het parkeerterrein komen we een parkeerwachter tegen met een uiterst klein begrijpertje. We parkeren altijd achterstevoren vanwege het feit dat de kont van de auto dan verder naar achteren kan over de aangebrachte trottoirbanden en we bijna nooit geblokkeerd raken om weg te rijden. Deze meneer konden wij echter niet aan het verstand peuteren dat het parkeren met de kont achteruit precies hetzelfde is, dan je de auto andersom parkeert. Na een lange discussie krijgen we begrip voor zijn moeilijke positie. De communistische partij heeft immers nooit gezegd dat het ook andersom kan. Bij het uitrijden doet zich echter nog een veel groter probleem voor. De slagboom reageert niet op onze kentekenplaat. Hoewel we er dus wel in konden komen, was er nu een probleem. Ook bij sommige andere auto’s met een Chinees kenteken raakt het apparaat inmiddels van slag. We bieden aan om parkeergeld voor een hele dag te betalen als hij de slagboom even wil openen. De man slaagt er niet om die vraag in zijn brein te vertalen in een actie. Het staat immers nergens beschreven dat zoiets kan gebeuren. Hij kan, volgens hem, wel iemand met gezag bellen. De kudde Chinezen achter ons begint ongeduldig te worden en te claxonneren. We zetten de auto een beetje uit de rijroute om anderen door de slagboom te laten rijden. Ik tel de seconden dat de slagboom nog openblijft nadat een auto erdoorheen is gegaan. Genoeg om een poging te wagen. Ik geef vol gas, vlak achter een grote bus, en zie in de achteruitrijcamera dat de boom strak achter ons langs weer dicht gaat. Na 1 uur zijn we er dus uit, de parkeerwachter in verwondering en wanhoop achterlatend. Het leven van een, in een camper, reizende toerist zit vol met verrassingen.

We gaan verder via Hangzhou, waar we op de oude zijderoute terecht komen, naar Xining. Deze grote stad met 4 miljoen inwoners, vormt een keerpunt in onze reis. We gaan nu dwars door Inner Mongolië, het Chinese deel van Mongolië, via de steden Zhangye, Hayuguan naar Dunhuang. Daar is het Mogao grottencomplex in de woestijn te bewonderen. Het is een Unesco monument. Een tot monnik bekeerde militair die een visioen kreeg, is daar in de 4 de eeuw begonnen met het uithakken van een grot in de rotsen. Hij maakte er een tempel ter ere van Boeddha. Het grote complex werd daarna in 700 jaar uitgebouwd tot wat het nu is: een bijzonder mooi grottencomplex met honderden tempels en afbeeldingen. Na dit bezoek rijden we over een goed geplaveide snelweg naar de stad Hami. Dan rijden we de provincie Xinjiang binnen. Dit is de provincie waar de ongeveer 7 miljoen islamitische, op Turken gelijkende, zwaar gediscrimineerde Oeigoeren wonen. Zij hebben het moeilijk in hun land, want ze worden als terroristen beschouwd. En dat merken we meteen. Alle papieren worden gecontroleerd, we moeten uit de auto en alle documenten worden op de foto vastgelegd. Andy vertelt ons dat deze controles overal op snelwegen plaatsvinden. We zijn verrast door de serieusheid waarmee hij probeert ons het overheidsverhaal te laten geloven. Ik vraag nog hoeveel aanslagen dan het laatste jaar door Oeigoeren zijn gepleegd, maar dat blijkt een lastige vraag. Het is volgens hem voor onze eigen veiligheid. Waar hebben we dit ook alweer eerder gehoord? O ja, dat was in het Koerdische deel van Turkije. Frappant. We moeten nu ook op beveiligde parkeerterreinen van hotels slapen. Na de eerste nacht in, wat lijkt, een oorlogsgebied waar ieder restaurant en hotel beveiligingspoorten heeft rijden we verder naar Turpan. Deze stad ligt op 100 meter onder het zeeniveau en staat bekend als de warmste stad in China. Temperaturen variëren van -20 tot +55 graden. Wij arriveren, na weer de nodige wegblokkades en controles, wat later op de middag met nog een temperatuur van slechts 44 graden. Het is werkelijk een Chinese wokpan. Deze stad kan alleen maar bestaan omdat er bergwater beschikbaar is voor irrigatie en huishoudelijk gebruik. Er is overdag bijna niemand op straat. We proberen te slapen onder ons fannetje, maar het blijft ook in de nachtelijke uren 36 graden. Vanaf Turpan is het dan een kwestie van kilometers maken om in Kashgar te komen. Dat blijkt niet eenvoudig te zijn. Ieder tankstation is hermetisch afgesloten, de bijrijder moet de auto uit en mag lopend langs het tankstation verder. Met het ID-pasje van onze gids mag je naar de wc. Alsof de Oeigoeren zich op de smerigste toiletten ter wereld gaan opblazen. Er zijn andere, meer aansprekende manieren om jezelf de dood in te jagen. Het is werkelijk bizar hoe men omgaat met een andersdenkende, anders gelovende minderheid die hier al minimaal 2000 jaar woont. We schrikken hier erg van en vinden het diep triest voor de Oeigoeren. Na 2 dagen van kilometers maken door het grote woestijngebied van Inner Mongolië, komen we eindelijk in Kashgar. Het is een bijzondere plaats met invloeden uit Pakistan, Afghanistan, Turkije, de Stanlanden en Rusland. Hier vond tijdens de zijderoute de handel in zijde, tapijten, aardewerk en kruiden plaats. Hier vindt men ’s werelds alleroudste markt, met kamelen, geiten, schapen en koeien. Ook worden er allerhande stoffen verhandeld. De markt draait ’s zondags en bestaat al meer dan 1500 jaar. Het is een komen en gaan van boeren en handelaren. Je moet je niet druk maken over de manier waarop de dieren worden behandeld. De beesten worden soms beestachtig van het vervoermiddel afgeschopt. Verder hangen de geslachte kadavers keurig uitgestald aan een waslijn. Hier word je spontaan vegetariër van voor een paar dagen.

Daarna zijn we nog 200 kilometer zuidwaarts, richting Afghanistan, gereden over de zeer hooggelegen Karakorum highway naar het Karakul meer. Onderweg komen we langs erg hoge bergen van meer dan 7500 meter hoog, die zijn bedekt met gletsjers. Het uitzicht is gewoon niet te beschrijven. We hebben al veel gezien, maar dit slaat alles. Je voelt je een minuscuul klein mensje in verhouding met de torenhoge pieken. Zelf rijden we slechts op 4000 meter hoogte om bij het meer te komen. Langs de hele route zijn weer allemaal controleposten. We worden er opstandig van. Wat doet men hier een moeite om anderen constant te pesten. Het voelt niet langer goed. Het wordt tijd om morgen naar Kirgizië te gaan.

Geen reactie's

Geef een reactie